1. Achter het front.

1K 25 5
                                    

"Lloyd, speel die bal nou 'ns een keer af, man! Ik sta hier verdomme helemaal vrij!" Geërgerd keek Lloyd naar de tierende en wild gebarende sergeant Evans. De potige onderofficier was een fanatiekeling wanneer het voetbal betrof. Eigenlijk was Evans in alles wat ie deed fanatiek. Waarschijnlijk was dat ook de voornaamste reden waarom veel van zijn manschappen een hekel aan hem hadden. Evans vond altijd wel een reden om zijn mannen te laten merken dat hij hun meerdere was. Telkens wanneer de mannen zich, in een vrij uurtje, probeerden te ontspannen met een kaartspelletje, wist Evans de vreugde wel te verzieken door corveedienst in te stellen of een exercitieoefening te bedenken. Al vele malen had Lloyd hem hierom inwendig vervloekt en hij had het zelfs enige malen gewaagd zijn sergeant tegen te spreken om iets onbeduidends. Even zoveel malen had Lloyd zijn weerwoord moeten bekopen met het schoonmaken van latrines of het vullen van zandzakken. Zo vervloekte Lloyd dus ook deze keer zijn sergeant om de vele, onnodige tirades tijdens een onbeduidend potje voetbal, dat door de mannen spontaan was georganiseerd. Zomaar, voor de lol, nu ze een tweetal weken vrij van de dienst in de loopgraven waren. Aanvankelijk een potje zonder de sergeant, maar vanaf het moment dat Evans zich in het spel mengde, was de lol er eigenlijk al meteen vanaf. "Voetbal...", bedacht Lloyd zich, "...ik hou niet eens van voetbal." Het liefst had hij helemaal niet meegespeeld of was hij, na de uitbrander van zijn sergeant, er direct mee opgehouden, maar Lloyd vond dat hij, nu hij eenmaal mee speelde, z'n kameraden ook niet zomaar in de steek kon laten. Hij besloot daarom dan ook maar om niet op het gebulder van Sergeant Evans in te gaan en speelde de wedstrijd zonder te mokken verder. Lloyd was een gepassioneerd cricketspeler en had zich, voordat hij dienst in het leger nam, al bijna drie jaar verdienstelijk gemaakt als een getalenteerde bowler bij de Henley Cricket Club . Voetbal, zo was Lloyd van mening, was een ordinaire sport, een sport van het volk, van lui zoals Evans. Cricket daarentegen, was een beschaafde, fatsoenlijke sport, die tegelijkertijd de kenmerken van de degelijke, gedisciplineerde Britse maatschappij weerspiegelde.

Het schrille fluitje van 1e luitenant Murray maakte een vroegtijdig einde aan de wedstrijd. "Iedereen hier komen en luisteren," brulde de luitenant. "Allereerst...zoals sommige van jullie waarschijnlijk al weten zullen de broodnodige versterkingen van ons bataljon hier vanmiddag arriveren. Ik ga ervan uit dat die knapen goed opgevangen zullen worden en dat jullie ze wegwijs maken hoe het er hier allemaal aan toe gaat. Zorg ervoor dat die jongens zich hier snel op hun gemak voelen." Er klonk een instemmend gemompel vanuit het peloton. Timothy Gallagher, een tengere, rossige knaap van 16 jaar, die over zijn leeftijd gelogen had om dienst te mogen nemen, wreef genoeglijk in zijn handen. "Mooi. Die groentjes kunnen voor ons mooi de corveeklusjes van Evans opknappen." Sergeant Evans keek hem met een schuin oog aan. "Dat heb ik dus gehoord soldaat Gallagher! Reken er dus maar op dat ik je extra goed in de gaten zal houden!" Timothy keek Lloyd verschrikt aan. "Dat klinkt niet best, Tim," fluisterde Lloyd geamuseerd. "Als ik jou was, zou ik me voorlopig maar gedeisd houden. Evans is echt niet te beroerd om je de rest van de week stront te laten scheppen, wanneer je ook maar probeert om zo'n groentje voor je karretje te spannen." De luitenant ging verder. "Ten tweede...Wanneer de nieuwe jongens geïnstalleerd zijn, zullen we vanmiddag man tegen man gevechten gaan oefenen. Ook zullen verschillende aanvalstactieken besproken gaan worden. Iedereen wordt geacht zich om 16:00 uur, in gevechtstenue, bij zijn pelotonsergeant te melden. Ingerukt! "

Rond twee uur die middag kwamen de versterkingen aan. De "groentjes" kwamen in twaalf afgeladen vrachtwagens het terrein op hobbelen. Het kamp lag aan de rand van een weiland, nabij een stoffige weg, ver achter de frontlijn, zodat alleen in de verte het onophoudelijke, doffe gedreun van de artillerie hoorbaar was. Het ruisen van de wind in de bomen en het zingen van de Leeuweriken overstemden zo nu en dan zelfs de kanonnen, waardoor de oorlog ver weg leek. De nieuwelingen werden kameraadschappelijk verwelkomd, maar omdat deze jonge vrijwilligers, want dat waren deze mannen, geen enkele frontervaring hadden, werden ze tevens met argusogen bekeken. Lloyd raakte aan de praat met een jonge infanterist die naar de naam Pat Moore luisterde. Pat was midden twintig en had een verfijnd, bijna meisjesachtig gezicht. Al snel kwam Lloyd erachter dat Pat daarom, door bijna iedereen uit zijn peloton, 'Patty' werd genoemd. Pat zelf maakte daar geen enkel bezwaar tegen en deze tolerante houding sierde de jonge sympathieke infanterist uit Camden Town. Lloyd had de taak op zich genomen om Pat wegwijs te maken in het kamp. Het kamp stelde niet veel voor. Eigenlijk was het niet meer dan een boerderij met een grote schuur, waar een aantal kleinere schuurtjes omheen gebouwd waren. Deze schuurtjes waren omgebouwd tot open ruimtes waarin men enkel in een soort van geïmproviseerde stapelbedden van planken, deuren en schotten van wilgentenen kon slapen. Alle vertier speelde zich buiten in de weilanden af. Wanneer het regende, en dat kwam in deze hete junimaand gelukkig nauwelijks voor, zocht men de stapelbedden op om te lezen, een brief naar huis te schrijven of om een kaartspel te spelen. Het binnenleven speelde zich grotendeels op de bedden af, omdat er in deze omgebouwde schuren weinig ruimte was om rechtop te staan. In Pat bleek Lloyd een medeliefhebber van Cricket gevonden te hebben, maar omdat het overgrote deel van de manschappen meer van voetbal hield, zou er nooit een Cricketwedstrijd georganiseerd worden.

De middag ging razendsnel voorbij. Lloyd verbaasde zich erover hoe onervaren en naïef deze nieuwelingen waren. Tijdens de man tegen man gevechtstrainingen dolven de verse jongens telkens het onderspit. Lloyd had er geen goed gevoel bij. Wat als het er straks echt op aan kwam? Kon hij dan wel op deze jongens vertrouwen wanneer er aan beide zijden van hem een groentje streed? Tot zijn opluchting zag Lloyd dat Pat het, in tegenstelling tot de andere nieuwelingen, allemaal wel goed oppikte. Fanatiek wist Pat zijn meer ervaren tegenstanders in de schijngevechten telkens weer te verslaan. Schijnbaar onvermoeibaar en zonder enige twijfel op de beslissende momenten. Het leek zelfs of de jongen uit Camden er lol aan beleefde. "Dit is de man die ik in de strijd naast me wil hebben," dacht Lloyd en besloot vanaf dat moment met hem op te trekken.

Het weer verslechterde. De zonovergoten dagen maakten plaats voor frissere, geheel bewolkte dagen en de verveling begon toe te slaan. Langzaam kropen de uren voorbij en de manschappen doodden de tijd met de gebruikelijke activiteiten: het herstellen van kleding, wapenonderhoud, het lezen of schrijven van brieven naar ouders, familie en vrienden die thuis in Engeland waren, een bezoekje aan het plaatselijke café of aan één van de goedkope hoertjes, die zich altijd wel ergens in de buurt van militaire kampementen ophielden. Pat zocht Lloyd op terwijl deze ijverig bezig was zijn sokken te stoppen. Aandachtig bekeek Pat vanaf Lloyd's bed de weg die van Amiens naar het dorpje Albert liep. "Is het je niet opgevallen dat het steeds drukker op die weg wordt?" begon Pat. "Nee, niet echt, maar nu je het zegt, lijkt het alsof er inderdaad iedere dag steeds meer vrachtwagens richting Albert gaan. Misschien is het enkel bevoorrading voor de mannen aan het front." Munitie en andere zaken, zoals de post en voedsel, gingen dagelijks op transport. Lloyd besloot er niet veel aandacht aan te besteden. Dat veranderde echter naarmate de colonnes langer werden. Er reden nu niet langer enkel bevoorradingswagens richting het front, maar er werden ook veel meer manschappen vanuit het achterland vervoerd. Toen de toestroom van soldaten, bevoorrading en zelfs vele zware artilleriestukken ook 's nachts doorging, begonnen Lloyd en zijn kameraden van de 34e divisie zich serieus zorgen te maken.

De volgende dag kwam Timothy bij Lloyd zitten. "Ik hoorde vanmorgen Luitenant Murray met Evans praten." Lloyd's interesse was gewekt."En..? Heb je toevallig ook gehoord wat die twee elkaar te vertellen hadden?" vroeg Lloyd. Voorzichtig om zich heen kijkend boog Timothy zich naar Lloyd's gezicht. "Er zit een groot offensief aan te komen. Volgens Murray is dit offensief "the big push", dat allesbeslissend zal zijn en deze schijtoorlog zal beëindigen." Het nieuws sloeg bij Lloyd in als een bom. Deze oorlog duurde nu al bijna twee jaar en de Geallieerden en hun Duitse tegenstanders hadden zich ingegraven. Sinds het begin van de stellingenoorlog, was de frontlijn nauwelijks veranderd. Natuurlijk was hij blij als deze oorlog voorbij zou zijn en diep van binnen had Lloyd altijd wel geweten dat alleen een grootschalig offensief de hopeloze situatie kon veranderen. Het betekende echter wel dat dit onbezorgde leventje achter de linies wel eens vroegtijdig afgelopen kon zijn. De gedachte dat ze binnenkort weer terug aan het front, in de loopgraven zouden zijn, benauwde Lloyd. Het greep hem naar de keel, kneep zijn strot dicht en legde een knoop in zijn maag. Vrolijk kwam Pat aangelopen met een, zojuist ontvangen, stapel post in zijn hand. Zijn glimlach verdween onmiddelijk toen hij de bezorgde blikken van zijn kameraden zag. "Nou zeg, jullie zijn in een feeststemming." zei Pat, pogend om de bedompte stemming een vrolijke draai te geven. "Patty..," zei Lloyd met een serieuze blik, "...ik ben bang dat ons luie leventje hier snel voorbij zal zijn. We gaan naar het front."

...en de engel sprak Duits.Waar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu